De Python.

Soms lijkt het alsof iedereen om me heen langzaam uit elkaar valt. Nou zou je kunnen stellen dat het leven niets anders is dan langzaam uit elkaar vallen, tot de dood er op volgt. De kunst van het leven is om het zelfdestructie-proces zo lang mogelijk te rekken en te vertragen, het uitstellen van het sterven, en proberen te genieten van de dingen die je even doen afleiden van het immer afstrompelen op dat sterven. Geluk is niet voelen dat je leeft, maar vergeten dat je bestaat. Het is het even niet hoeven denken aan het onvermijdelijke, het eindige.


Dit klinkt misschien als een wat pessimistische visie op het leven, maar de wetenschap dat het bestaan tijdig is, kan ook geruststelling geven - voor mij althans. Ik berust mij in de wetenschap dat de eeuwige achtbaan die het leven is, niet echt eeuwig is. Alles is tijdelijk; de spanning bij het omhooggetakeld worden, de kriebels in je buik bij de afdaling, het over de kop slaan in de loopings en de kurkentrekkers. Wie wel eens in een letterlijke achtbaan heeft gezeten weet: het is enkel een fractie van je levensloop, zo klein dat het haast verwaarloosbaar is. Tijdelijke spanning, het even niet hoeven denken aan de figuurlijke achtbaan waarin wij allen rondtollen tot de dood erop volgt. Opwinding die je even, luttele minuten in je totale reis op deze wereld, doet vergeten dat de dood dichterbij is dan je denkt.


Misschien is het "thrill-seeken" ook juist daarom zo bevredigend. Wie op de kop in een achtbaan hangt, zij het goed ingesnoerd in beugels en riemen, voelt zich even dichter bij die onvermijdelijke dood. Het net-niet-sterven is misschien het meest gelukzalige gevoel wat een mens kan hebben. De een gaat daar verder in dan de ander. Persoonlijk vind ik die achtbaan eng genoeg (ik stelde me vroeger in de Efteling altijd al voor hoe de achtbaan midden in een looping vast zou komen te zitten, en wij, urenlang, zouden moeten wachten totdat we uit deze benarde positie bevrijd zouden worden - al het bloed naar ons hoofd gestegen), maar ik weet dat sommige mensen het randje van de dood extremer opzoeken door uit een vliegtuig te springen met een parachute of te bungeejumpen. Free running. Noem maar op. "Living on the edge"


Toen ik psychotisch was, zeker de eerste keer, voelde ik me dichter bij de dood dan ik ooit geweest ben. Ik was ervan overtuigd dat iedereen erop uit was mij kapot te maken, mijn onvermijdelijk sterven dichterbij te brengen, en zodoende voelde ik de nabijheid van het eindige, als een schim die zich constant achter mijn rug ophield, zijn koude adem in mijn nek uitblazend. Ergens was dat gevoel geruststellend, want: het onvermijdelijke lag op de loer, en, ik zag het aankomen. Ik hoefde niet in de constante spanning te leven, met vragen als hoe en wanneer, het gevaar was immers overal en het zou mijn ondergang weldra een vastgesteld feit maken. Door de nabijheid van de dood, leefde ik meer dan ooit, zij het verward en angstig. Elke ademteug zag ik als een bonus. Elke stap als extra. Elk gevoel als mazzel hebben.


Ja, ik zou mijn psychoses kunnen omschrijven als bijna-dood-ervaringen, Niet an sich, maar wel gevoelsmatig. Het mooie van het verliezen van je connectie met de werkelijkheid, is dat je gevoelsleven een absolute waarheid wordt. Er bestaat alleen nog maar dat wat je ervaart, los van alle banden van realiteit en maatschappij. Dit gevoel is in de kern erg fijn, alleen had ik de pech dat ik de inhoud als naar en angstaanjagend ervoer.


Soms lijkt het alsof iedereen om me heen langzaam uit elkaar valt. Inclusief ikzelf. Het is wat ons mens maakt, en ook dat wat ons verbindt. De momenten zoeken, samen, tussen het uiteenvallen en het sterven door. Een beetje zoiets als je verbonden voelen met iedereen op de begrafenis van je oma. Het samen rouwen. De dood, het onvermijdelijke vergaan, brengt ons dichter bij elkaar.


Al is het maar omdat we nog niet klaar zijn met het leven.


#verhalen